• Start
  • Vervolg
  • Antroposofie en "kosmisch racisme"

Antroposofie en "kosmisch racisme"

Over racistische elementen in de antroposofie

door Jan Willem de Groot

tooskaftTekening, op Vrije Scholl De Berkel te Zutphen gemaakt

 

De uitspraken van de vice-voorzitter van de Antroposofische Vereniging C. Wiechert in het radioprogramma Het voordeel van de twijfel van de Humanistische Omroepstichting van 19 februari 1996 over de omstreden rassenleer van Rudolf Steiner hebben de aandacht gevestigd op racistische gedachten in de antroposofie. In dit artikel zal worden onderzocht in welke traditie de antroposofische rassenleer staat, waarbij de aandacht met name zal worden gericht op de antroposofische indeling in "dag-" en "nacht-volken" en op de plaats van de joden in Steiners leer.

Wiechert wond er in het interview geen doekjes om. Geconfronteerd met Steiners uitspraak, waarin de ontwikkelingsfase van het "zwarte ras" met die van een kind tot zeven jaar vergeleken wordt, meende Wiechert: "Zonder discriminerend te zijn; je ziet het bijvoorbeeld op het gebied van de vitaliteit, dat is in het zwarte ras een geweldige meerwaarde. Kijk maar naar Ajax, om maar wat te zeggen. Ik heb niks tegen Ajax hoor, maar je ziet dat daar vitaliteitsoverschotten zijn die jij en ik niet bij de hand hebben." (1)  Ook Steiners veronderstelling dat het verdwijnen van de Indianen een "kosmische" noodzakelijkheid was, achtte Wiechert "geen beladen uitspraak." Wiechert zei hierover: "Toen de Europeanen zich met de negers gingen bemoeien, is dat volk niet te gronde gegaan. Integendeel. Dat volk werd almaar groter en assimileerde zich met de westerse beschaving. En als je dan daartegenover ziet wat er bij Wounded Knee is gebeurd met de Indianen, dat is toch een onvoorstelbare tragedie. Daar zie je dat er echt iets uitgeblust werd. Onvoorstelbaar... Dus uit die waarneming is de gedachte aannemelijk." verdere noten nog doen: 2)

De uitspraken van Wiechert bleven niet zonder echo in de media3) en ook in de gelederen van de Antroposofische Vereniging laaide de discussie hoog op. Op zaterdag 30 september belegde de vereniging een buitengewone algemene ledenvergadering, waar een grote meerderheid van de leden het bestuur, dat zich van Wiechert gedistantieerd had, in zijn optreden steunde. Besloten werd een werkgroep op te richten, die Steiners uitspraken over rassen zou onderzoeken.4) Met dit laatste volgen de Nederlandse antroposofen het voorbeeld van een groep progressieve Duitse antroposofen, die zich rond de Flensburger Hefte hebben verzameld. In deze antroposofische tijdschriftenreeks verschijnen afleveringen, waarin Steiners rassenleer kritisch wordt onderzocht.5)

De commotie in de Antroposofische Vereniging over Steiners rassenleer dateert niet van vandaag of gisteren. In februari 1995 was de antroposofie al opspraak geraakt door een artikel in de Volkskrant, waarin verslag werd gedaan van de ervaringen van Angelique Oprinsen, moeder van een dochter op de -antroposofische- Vrije School De Berkel in Zutphen. Van dochter Juliette kreeg Oprinsen het schoolschrift "Rassenkunde" onder ogen met daarin stereotypen over het "zwarte ras" en de "gele medemens." Volgens de tekst in Juliette haar schrift "hebben negers een ritmisch gevoel" en "dikke lippen," terwijl Aziaten hun emoties achter "de altijd blijvende glimlach verbergen."6)

Juliette had in haar schrift ook de door de leraar opgegeven ontwikkelingsfasen van de verschillende rassen opgeschreven, waarvan de pigmentatie aan de delen van een etmaal is gerelateerd; zo behoort het zwarte ras bij de nacht, het gele bij de ochtend en het blanke bij de dag. Toen Oprinsen hierover bij de schoolleiding van De Berkel aan de bel trok, kreeg ze geen bevredigend antwoord. Van ouders van andere leerlingen van De Berkel kreeg ze evenmin steun. Op een ouderavond kreeg ze antwoorden van de volgende strekking: "Als jij Rudolf Steiner zou begrijpen zou je zijn gedachten over 'rassen' wel onderschrijven. Uit het feit dat je zijn gedachten niet onderschrijft blijkt dat jij Steiner niet hebt begrepen."7)

In de recente commotie over Steiners rassen is aan één aspect nog geen aandacht besteed, namelijk aan de traditie, waaruit bepaalde gedachten van de antroposofie over volken en rassen stammen. In dit artikel zal deze overlevering worden gereconstrueerd. Het gaat hier om een traditie die de antroposofen zelf goeddeels onbekend is. Inzicht in de historische achtergrond van de antroposofische rassenleer is ook om die reden van bijzondere betekenis.

OVER "DAG-" EN "NACHT-VOLKEREN"

 

De antroposofische indeling van de mensheid volgens de delen van een etmaal, waarbij de huidskleur aan de zon, de nacht of de schemering wordt gerelateerd, zijn we in het schrift Rassenkunde van Juliette Oprinsen tegengekomen. De docent van De Berkel die Juliette deze indeling onderwees, baseerde zich daarbij op het door de antroposoof Max Stibbe samengestelde lesmateriaal.8) Stibbe, een antroposoof van het eerste uur en een trouw volgeling van Steiner, moet deze indeling weer aan Rudolf Steiner hebben ontleend.

Steiner zelf is echter niet de geestelijke vader van de classificatie van de mensheid volgens de delen van een etmaal. Zij stamt oorspronkelijk van de laat-romantische filosoof en professor in de anatomie Carl Gustav Carus (1789-1869), die bij de viering van Goethe's honderdste geboortedag in 1849 een "Denkschrift" met deze indeling presenteerde. Dat Steiner dit geschrift van Carus moet hebben gekend, is meer dan waarschijnlijk. Ten eerste was Carus in de negentiende eeuw in Duitsland een invloedrijk romantisch filosoof.9) Daarnaast was Steiner, voordat hij na de eeuwwisseling aan een carrière als occultist begon en via de theosofie bij zijn eigen Antroposofische Vereniging uitkwam, in de jaren negentig zeven jaar werkzaam aan het Goethe-Schiller-archief in Weimar.10) In deze jaren zal hij zeker het bovengenoemde essay onder ogen hebben gekregen, dat Carus in 1849 bij de viering van Goethe's honderdste geboortedag had uitgegeven.

De inhoud van Carus' brochure, waaraan Steiner de indeling in dag- en nacht-volken heeft ontleend, kan men alleen maar als racistisch bestempelen. Carus' opstel heeft als titel Über ungleiche Befähigung der verschiedenen Menscheitstämme für höhere geistige Entwickelung.11) In dit geschrift ontwerpt hij een antropologie, die zich op de stand van de zon jegens de aarde baseert. De lichtval van de zon op de aarde veroorzaakt een "dag," een "nacht" en een "schemering." Carus meent dat deze drie fundamentele "Lichtzustände"12) van beslissende invloed zijn op het functioneren van de verschillende menselijke rassen. Op grond van dag, nacht en schemering onderscheidt Carus "Tag-," "Nacht-" en "Dämmerungsvölker," welke laatste weer worden onderverdeeld in oosterse en westerse schemerings-volken. De nacht-volkeren, welke "dem Lichtmangel - der Nacht des Planeten entsprechen" zijn volgens Carus de donkergekleurde bewoners van Afrika, de westerse en oosterse schemerings-volken respectievelijk de Indianen en de Aziaten. Het dag-volk daarentegen wordt gevormd door het Kaukasische, dat wil zeggen blanke Arische ras.13)

De onderverdeling van de mensheid volgens de verschillende lichtfasen correspondeert volgens Carus met de vorm van de schedels van de verschillende rassen. Geheel in overeenstemming met de verschillende negentiende-eeuwse rassentheorieën, waarin de Ariërs op grond van hun langwerpige schedels -de zogenaamde dolichocefale schedel- een grotere herseninhoud werd toegeschreven, meent ook Carus dat de schedel van de Arische dag-volkeren de ideale vorm heeft; hij is regelmatig van opbouw en structuur en heeft de grootste herseninhoud. De schedels van de nacht- en schemerings- volkeren zijn daarentegen van een veel mindere kwaliteit; de vervormingen die hier geconstateerd kunnen worden, hebben een negatieve invloed op zowel vorm, inhoud en structuur van de hersenen. Vooral de schedel van de dag- en nacht-volken vertoont grote verschillen. Volgens Carus is deze bij de laastsen "am meisten thierähnlich," terwijl die bij de dag-volken "am reinmenschlichsten" is.14)

Corresponderend met de grote fysiologische verschillen tussen de drie delen van de mensheid vertonen ook hun beschavingen grote onderlinge afwijkingen. De nacht-volken beschikken in de visie van Carus nauwelijks over cultuur; in hun primitieve samenlevingen ontbreken kunst en literatuur geheel. De cultuur van de verschillende schermings-volken is van een hoger niveau, wat vooral geldt voor de Aziatische volken. De Aziatische cultuur is volgens Carus echter een statische cultuur, die geen enkele ontwikkeling kent.15) In vergelijking met de nacht- en schemerings-volken bevindt de cultuur van het Arische dag-volk zich op eenzame hoogte. Hier domineren het "spirituelle Princip" en de "geistige Kraft," wat tot uitdrukking komt in de "reine Schönheit" van de Arische fysiologie. De cultuur van de Arische dag-volkeren wordt bepaald door het principe van individualiteit en kenmerkt zich dan ook door een rijke veelzijdigheid.16) Met dit laatste bevindt Carus zich geheel in overeenstemming met de verschillende rassentheorieën van zijn tijd, waarin het Ariërdom tot de schepper van alle cultuur werd gebombardeerd.17)

Fundamenteel voor de ontwikkeling van de verschillende culturen zijn telkens de drie lichtfasen van dag, nacht en schemering. Het is de mate van "Sonnenerleuchtung" die het spirituele niveau van een ras bepaalt en waarvan de fysieke verschijningsvorm een directe weerspiegeling is. In het systeem van Carus vormen de blonde Ariërs dan ook het eigenlijk zonneras, die als "Blüthe der Menschheit"18) de hoogste trede van de spirituele ladder bezetten.

De verbinding van de Ariër als schepper van alle cultuur met de zon als symbool van hogere spiritualiteit zou aan het einde van de negentiende eeuw een grote verbreiding kennen. De associatie van de Ariër met de zon kon daarbij direct aansluiting vinden bij een ander aspect van de zonnecultus en wel het oude Germaanse zonnewendefeest. Dit feest mocht zich rond de eeuwwisseling in het kader van het opkomende "nieuw-heidendom" in Duitsland in een grote populariteit verheugen. Verbonden met het "Arische zonnemotief" waren de zogenaamde Arische kleuren, goud -of geel- en blauw, die een grote verbreiding in het völkische en antisemitische kamp kenden. Het goud stond symbool voor de Ariër zijn blonde haren, die zich in het licht van de zon weerspiegelden, terwijl het blauw voor de kleur van zijn ogen stond, die weer een afspiegeling waren van het blauw van de hemel.19)

De traditie van Carus' manicheïsche antropologie bereikte een voorlopig hoogtepunt in de zogenaamde Ariosofie, een apocalyptische rassenleer die vanaf de eeuwwisseling in Oostenrijk en Duitsland tot ontwikkeling kwam. De Ariosofie is als stroming onverbrekelijk verbonden met de persoon van de Oostenrijker Jörg Lanz von Liebenfels (1874-1954), een voormalige priester van de Orde der Cisterciënzers, die in 1899 uittrad en zijn eigen Orde der Nieuwe Tempelieren oprichtte. Tegen de achtergrond van het nationaliteitenconflict in de Donaumonarchie verkondigde Lanz in zijn tijdschrift Ostara een complexe gnostische rassenleer, waarin de Ariërs als een transcendentaal "lichtras" en de niet-Ariërs als een demonisch "materieras" werden opgevoerd. In dit tijdschrift, waarvan met zekerheid kan worden aangenomen dat het tot de lectuur van de jonge Adolf Hitler in Wenen behoorde,20) verwoordde Lanz de tegenstelling tussen de blonde Ariërs en de niet-Arische "Dunkelrassen" op de volgende wijze: "Weg von den Söhnen der Dunkelheit, hin zur Sonne, Licht, Luft, denn wir sind die Sonnenkinder, die Söhne des Lichts."21) Het is dan ook niet vreemd dat Lanz op dit punt naar Carus' indeling in dag- en nacht-volken verwijst: 'Carus hat daher verständnisvoll die Menschen in Tag- und Nachtmenschen eingeteilt."22) Onder Lanz' volgelingen kon men dezelfde racistische dichotomie aantreffen. Zo formuleerde Herbert Reichstein, in de jaren twintig in Duitsland een van Lanz' meest fanatieke volgelingen,23) de tegenstelling Arisch-niet-Arisch in de volgende dualistische bewoordingen: "Je heller die Haut und das Haar, desto feiner empfindend is die Seele - Stürmer desto sonniger. Je tiefer die Seele der Erde und der Nacht, desto dunkler die Haut (...) Je blauer das Auge, desto göttlicher, je dunkler, desto tierischer."24)

De manicheïsche beeldentaal van Carus en de Ariosofie vond na 1933 een direct voortzetting in het nationaal-socialisme. Hier waren het vooral de joden, die met de nacht werden geïdentificeerd, terwijl de Ariërs met de zon in verbinding werden gebracht. Op de antisemitische karikatuur [uit Der Stürmer] zien we deze thematiek verbeeld door een met de zon overgoten Arisch paar, waartegenover de jood als "Kreatur der Nacht" wordt geplaatst.25)

Illustrierte Beobachter De associatie van het blonde Arische dag-volk met de zon blijkt ook uit de afbeelding uit een nummer van de Illustrierte Beobachter uit 1937. Op de foto zien we Hitler met drie blonde Friese kinderen. Het onderschrift bij de foto luidt: "Ein Bild voll Sonnenschein und Freude."26)

Hier wordt duidelijk in welke traditie de antroposofische indeling in dag- en nacht- volkeren staat. Hoe sterk de beeldentaal van deze traditie doorwerkt, blijkt op pregnante wijze uit de tekening, die Juliette Oprinsen in haar schrift Rassenkunde had gemaakt bij de door de leraar opgegeven indeling van de mensheid volgens de delen van een etmaal. Op de afbeelding zien we een lachende zon, die de twee blonde zonnekinderen begroet. In tegenstelling tot de centrale plaats, die de zonnekinderen op de tekening innemen, zien we rechts in de marge een zwart jongetje, dat als vertegenwoordiger van het nacht-volk door de zon verdreven wordt en in de duisternis verdwijnt. Deze tekening zou zonder moeite een plaats in Carus' Denkschrift of Lanz' Ostara hebben gevonden.

 

"MAANVOLK"

Zoals uit het bovenstaande duidelijk is geworden, worden in de antroposofie volken en rassen met bepaalde hemellichamen verbonden. Het "karakter" en de werking van deze hemellichamen zou een beslissende invloed hebben op het functioneren van de verschillende rassen. Zo worden in de antroposofie de Indianen als een "Saturnusras" gezien, waarvan het kliersysteem onder invloed van Saturnus een "verbeningsproces" ondergaat, met als gevolg het collectieve uitsterven van de Indianen.27) Ook de joden krijgen in de antroposofie een hemellichaam toebedeeld, in hun geval de maan. De antroposofische visie op de verbindingen tussen het jodendom en de maan vinden we kernachtig verwoord in een interview met de antroposoof John van Schaik in het antroposofische tijdschrift Jonas van 27 mei 1994. Van Schaik zegt hier over Steiners visie op de joden het volgende: "(...) Ook Steiner maakt verschil. Hij zegt dat de god in het Oude Testament nog werkt vanuit de maansfeer en de God in het Nieuwe Testament vanuit zonnekracht. Vanuit de maansfeer geeft Jahweh leiding aan het joodse volk. De maan spiegelt, werkt op het spiegelende bewustzijn. Het reflecteert op iets. Het joodse volk ontwikkelde een reflecterend, sterk intellectueel bewustzijn."28) Elders in zijn werk spreekt Steiner in dit opzicht over de van Atlantis afkomstige "oersemieten" die het denken zouden hebben uitgevonden.29)

De verbinding jodendom-rationalisme die hier door de antroposofie gelegd wordt, kenmerkte eveneens het antisemitische denken in Duitsland. De veronderstelling van de joden als een "volk zonder wortels," dat met zijn intellectuele reflectie de vertrouwde levenspatronen vernietigt en op deze wijze de wegbereider van de moderniteit wordt, was wijd verbreid in het antisemitische kamp. De Duitse filosoof Ludwig Klages (1872-1956), die een antisemitisch geïnspireerde "Lebensphilosophie" verkondigde waarin de intuïtie boven de -rationele- reflectie werd gesteld, sprak in dit opzicht over het "molochitisch-zersetzende Verstand" van de joden,"30) die met hun rationalisme iedere synthetische en organische entiteit tot ontbinding brengen en daarmee het leven zelf doden.

De antroposofische gelijkstelling van de joodse "reflectie" met de "spiegelende" maan duidt niet alleen op het veronderstelde joodse rationalisme, maar herbergt nog een ander aspect, dat evenzeer in de antisemitische traditie wortelt. Het betreft hier de klassieke antisemitische gedachte dat de joden een volk van "parasieten" zijn; net zoals de maan als "parasitair hemellichaam" het licht voor haar reflectie aan de zon ontleent, ontlenen de joden als "parasitair volk" hun levenskracht aan hun gastvolk. Dat deze bizarre vergelijking onderdeel is van het antisemitische gedachtengoed blijkt uit het werk van Georg Lomer (1877-1956), een voormalig zenuwarts die na de Eerste Wereldoorlog in contact met de theosofische beweging was gekomen. Lomer was als astroloog de stichter van een zogenaamde Arische "zonnekerk," waar hij voor zijn volgelingen een metafysische rassenleer formuleerde. In zijn brochure Wir und die Juden im Lichte der Astrologie uit 1928 stelde hij dat de Arische man als het scheppende principe in verbinding stond met de zon, terwijl de joden slechts in het licht van de maan stonden; zoals de maan voor haar uitstraling op de maan parasiteerde, parasiteerden volgens Lomer de joden op de scheppingskracht van het het Ariërdom en waren daarmee een "parasitair maanvolk." Deze gedachte leefde niet alleen bij Lomer en zijn volgelingen. Ook elders in het völkische en antisemitische kamp werden de joden consequent met de maan in verbinding gebracht en als duistere "Mond-Kreaturen" afgeschilderd.31)

Dat deze antisemitische "maanmythologie" tot op heden voortleeft, blijkt op ondubbelzinnige wijze uit het werk van de Chileen Miguel Serrano, voormalig ambassadeur van Chili in India, Joegoslavië en Oostenrijk. Serrano, schrijver van een in meer dan twintig talen vertaald boek over zijn vriendschap met Hermann Hesse en Carl Gustav Jung,32) publiceerde in 1978 in Santiago een boek met de volgende titel: El cordon dorado; Hitlerismo esoterico (in 1987 verschenen in een Duitse vertaling onder de titel Esoterischer Hitlerismus). In dit huiveringwekkende werk wordt Hitler opgevoerd als een Arische lichtgod, die de mensheid heeft proberen te bevrijden van de Semitische wereldheerschappij. En ook Serrano brengt in zijn boek de joden in verbinding met de maan wanneer hij spreekt over het (huidige) "Semitisch-lunare Fischezeitalter",33) waarin de aarde wordt beheerst door het joodse rationalisme en materialisme.

Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de antroposofische indeling van de mensheid in dag- en nacht-volkeren en de antroposofische voorstelling van de joden als een volk dat met de maan verbonden is zeer problematisch zijn. Met dergelijke classificaties maakt de antroposofie deel uit van een traditie, waarvan de antroposofen zelf zich in het geheel niet bewust zijn. Deze traditie kan men het best karakteriseren als "kosmisch" of "metafysisch racisme." Dit gebrek aan historisch inzicht van de antroposofen maakt hen blind voor de obscure overlevering, waarmee veel van Steiners ideeën over rassen verbonden zijn.

Het grote gevaar van een beschouwingswijze, waarin het individu met boven-persoonlijke krachten wordt verbonden, schuilt in de ontmenselijking. Mensen worden niet meer als unieke individuen waargenomen, maar als het verlengstuk van een of ander metafysisch principe. Deze ontmenselijking treedt niet alleen naar voren in de theorieën van Lanz en Serrano, maar ook in de antroposofie, waarin het lot van volken en rassen "kosmisch" bepaald is. Dit blijkt op navrante wijze uit de antroposofische visie op de Indianen, die als "Saturnusras" gedoemd zijn uit te sterven. Het is een zienswijze, waarin de ethiek geheel achter de -occulte- horizon verdwijnt; niet de mens telt, maar het principe.

Oorspronkelijk gepubliceerd in Skript, zomer 1996

Noten:

1)
Geciteerd in "Antroposofische uitglijder. Bestuurslid ondersteunt omstreden rassenleer van Steiner," Trouw 20-2-1996. RetourRetour

1) Geciteerd in "Antroposofische uitglijder. Bestuurslid ondersteunt omstreden rassenleer van Steiner," Trouw 20-2-1996. Retour

<p ">2) Ibidem. <p ">3) Enige artikelen uit de media over deze affaire: "Wiechert geeft impuls aan rassenleer van antroposoof Steiner," Parool 20-2-1996; "Rudolf Steiners neger maakt veel los," Volkskrant 30-3-1996; Rene Zwaap, "Karmische noodzakelijkhedenDe Groene Amsterdammer 28-2-1996, 20-21. <p ">4) "Leden Antroposofische Vereniging scharen zich achter bestuur," Trouw 1- 4-1996.  <p ">5) Zie Klaus D. Neumann/Wolfgang Weirauch/Arfst Wagner, Anthroposofie und Rassimus - Flensburger Hefte 41(Flensburg 1993). <p ">6) "Op Vrije School hebben negers dikke lippen en ritmisch gevoel," Volkskrant 4-2-1995.  <p ">7) De hele affaire wordt uit de doeken gedaan in de brochure van Toos JeurissenUit de Vrije School geklapt. Over antroposofie en racisme; een stellingname (Sittard 1996). Jeurissen, moeder van twee kinderen op de Vrije School De IJssel in Zutphen, schreef haar opstel uit verontrusting over het onderricht in Steiners rassenleer op de school. Het interview met Wiechert vond plaats naar aanleiding van het verschijnen van deze brochure.  <p ">8) Jeurissen, Uit de Vrije School geklapt, 7. <p ">9) Zie voor biografische gegevens over Carus: Wolfgang Genschorek, Carl Gustav Carus. Arzt - Künstler - Naturforscher (Leipzig 1978). <p ">10) W.F. Veltman, Rudolf Steiner. Een biografie (Zeist 1980), 64. <p ">11) Carl Gustav Carus, Denkschrift zum hundertjährigen Geburtsfest Goethe's. Über ungleiche Befähigung der verschiedenen Menschheitstämmefür höhere geistige Entwickelung (Leipzig 1849). <p ">12) Ibidem, 11. <p ">13) Ibidem, 14-15. Aanhalingstekens bij in deze context dubieuze begrippen als "Arisch" en "ras" zullen voortaan worden weggelaten. Carus' indeling van de mensheid volgens de stand van de zon is overigens niet logisch. Zo zouden juist de Afrikanen het dag-volk moeten zijn; zij leven immers op en bij de evenaar. Carus baseert zich bij zijn indeling echter steeds op de huidskleur van de verschillende rassen. <p ">14) Carus, Denkschrift, 21. <p ">15) Ibidem, 24 en 68. <p ">16) Ibidem, 82-87. <p ">17) Zie voor dit gehele complex Léon Poliakov, De Arische mythe. Over de bronnen van het racisme en de verschillende vormen van nationalisme (Amsterdam 1979). <p ">18) Carus, Denkschrift, 85. <p ">19) Karlheinz Weissmann, Schwarze Fahnen, Runenzeichen. Die Entwicklung der politischen Symbolik der deutschen Rechten zwischen 1890 und 1945 (Düsseldorf 1991) 40-45. <p ">20) Zie Wilfried Daim, Der Mann, der Hitler die Ideen gab. Von den religiösen Verirrungen eines Sektierers zum Rassenwahn des Diktators (München 1958; herdruk 1994). Nicholas Goodrick-Clarke, The occult roots of nazism. The ariosophists of Austria and Germany 1890-1935 (Wellingborough/Northamptonshire 1985). <p ">21) Lanz, Ostara nr. 67: Die Beziehung der Dunklen und Blonden zur Krankheit. Ein Abriss der besonderen und praktischen Rassenpathologie (Wien 1913) 1. <p ">22) Lanz, Ostara nr. 74: Rassenmetaphysik oder die Unsterblichkeit und Göttlichkeit des höheren Menschen(Wien/Mödling 1914) 3. <p ">23) Zie voor Reichstein: Goodrick-Clarke, Occult roots, 164-177. <p ">24) Herbert Reichstein, Warum Ariosophie? (Düsseldorf 1926) 15. <p ">25) Albrecht W. Thöne, Das Licht der Arier. Licht-, Feuer- und Dunkelsymbolik des Nationalsozialismus(München 1979) 54. <p ">26) Ibidem. <p ">27) Bernd Hansen, "Zu Rudolf Steiners Indianerbild" in: Arfst Wagner, Anthroposophie und Rassismus, 113-127, aldaar 119. <p ">28) Patricia Wessels, "Nag Hammadi-geschriften: puur dynamiet aan de wortels van het christendom" Jonas 20(Amsterdam 1994) 8-11, aldaar 11. <p ">29) Wolfgang Weirauch, "Über die Menschenrassen in der Darstellung Rudolf Steiners" in: Arfst Wagner, Anthroposophie und Rassismus, 54-106, aldaar 72. <p ">30) Roderich Huch, Alfred Schuler, Ludwig Klages und Stefan George. Erinnerungen an Kreise und Krisen der Jahrhundertwende in München-Schwabing (Amsterdam 1973) 26. <p ">31) G.L. Mosse, Ein Volk. Ein Reich. Ein Führer. Die völkischen Ursprünge des Nationalsozialismus (Königstein 1979) 231-232. <p ">32) In een Nederlandse vertaling verschenen bij de Rotterdamse -en antroposofische- uitgeverij Lemniscaat; Miguel SerranoDe hermetische cirkel. Jung en Hesse (Rotterdam 1975). <p ">33) Miguel SerranoDas Goldene Band. Esoterischer Hitlerismus (Wetter 1987) 223. Op de connotaties, die met het begrip "Fischezeitalter" verbonden zijn (een van de sleutelbegrippen in de New Age-beweging), kan in het kader van dit opstel niet nader worden ingegaan.

 

 

Naar het vervolgartikel hierop door Jan Willem de Groot

  • Hits: 85